“De juffrouw met heel
veel haren onder haar oksels” (waar ik toen overigens heel erg
verliefd op was of misschien was het alleen maar mijn fascinatie
voor die enorme flossen onder haar armen, maar goed…) zei later,
dat Toverbal van alle briefjes die ze gekregen had, ze mijn
briefje het liefst vond.
Vele jaren later, toen
ze nóg groter was gegroeid en volwassen was geworden (ik schatte
haar zo'n jaar of achttien), heb ik Toverbal op een verloren
regenachtige middag nog eens opgezocht. Blij vertelde ze mij dat
ze een een vriend had en dat ze met hem ging trouwen. Ze was
overigens een hele mooie meid geworden (met een smalle taille en
flinke borsten) en ik keek eens diep in haar blauwe ogen.
Ze zei: ‘ik heb jouw
briefje nog.’
Ik vroeg: ‘welk
briefje?’
‘Ach, laat maar,' zei
Toverbal met een soort spijt in haar ogen 'ik ga nu toch
trouwen.’
‘Ben je zwanger?’
vroeg ik haar.
‘Ja,’ knikte ze bijna
beschaamd.
Ze kon het niet zeggen
maar ergens diep in haar hart hield ze (nog) van mij.
Goddomme..., ze was
helemaal niet blij. Ze had in een wip, haar tijd... de tijd
van Dali..., doen stil staan.
‘Dat heb ik nou
altijd,’ dacht ik bij mijzelf.
In de bijkeuken stond
haar moeder met zo'n blik van “meiske kijk blij”, want wat
zullen de buren wel niet denken. Ik wenste haar veel geluk en
wandelde naar mijn bos met het ven en ging de zeven zwarte
eenden vertellen wat voor een verschrikkelijke... verloren...
regenachtige... klote middag dit wel niet was.