|
Als kunstenaar maak je in je leven nogal wat
mee! Klik op een titel
voor een verhaal.
Paardenhoofd
Ik ga maar weer eens
wandelen, ik weet niet eens waarheen? Het blijft telkens weer
een verrassing. Ik besluit om naar de kruidentuin te gaan. Via
de Wilde Zee, de Huidevettersstraat, langs de prachtige Bourla
schouwburg en daarna een klein stukje Leopoldstraat, beland ik
in de kruidentuin die grenst aan het Sint Elizabeth ziekenhuis.
Het is rond het middaguur en stelletjes ontmoeten elkaar daar in
de pauze.
Een man en een vrouw zitten een beetje verliefd te doen op een
bankje. De man zou haar vader kunnen zijn. Zij is wellicht zijn
secretaresse of misschien een “belangrijk” meiske van zijn
kantoor. Zij friemelt onhandig aan een zomerse flaphoed, hangend
tussen haar op en neer bewegende knieën. Hij fluistert in haar
oor en doet wellicht oneerbare voorstellen. Zij giechelt en
denkt: ‘hij is wel aardig..., hij heeft veel geld..., hij is wel
erg oud en... hij is getrouwd.’
Ik heb zo, tijdens mijn wandelingen door de natuur, heel wat
stelletjes gadegeslagen. Oude mannen met jonge meiskes,
friemelend op een bankje in het bos. Even moet ik denken aan het
Assepoesterverhaal van die zakenman uit het dorp van mijn jeugd.
De man had met bijna alle meiskes van de fabriek al eens op een
bankje in het bos gezeten. Op zekere dag hadden ze hem dood in
zijn auto aangetroffen. Hij lag naakt op de achterbank.
Hartaanval! Niet ver van de auto vandaan, had de politie een
rood damesschoentje gevonden. Het meiske van wie het schoentje
was, heeft zich nooit gemeld. Het hele dorp roddelde er over.
Toen zijn kist naar het kerkhof werd gedragen, liepen alle
meiskes van de fabriek in de stoet mee.
Ik had zo eens een vriend. De voordeur van hun huis bestond uit
twee delen. Als ik aanbelde dan deed zijn moeder altijd het
bovenste deel van de deur open. Ze stak dan haar hoofd naar
buiten (en... ze had al zo'n lang gezicht en van die
paardentanden) en ze vroeg dan: ‘waarom sta je nou te lachen?’
‘Zomaar mevrouw, ik weet niet waarom, echt niet!’ antwoordde ik
dan.
Het was een hele leuke, lieve moeder, niks mis mee, behalve...
dat hoofd dan. Ik keek soms diep in haar reebruine ogen en zag
dan haar verdriet. Want ook haar man, had ik wel eens samen met
een mooi jong meiske gezien, friemelend op een bankje, in het
bos. Ik heb het haar nooit verteld. Maar ja, misschien had ze
ook wel heel erg vaak hoofdpijn hè? Met zo'n hoofd weet je het
maar nooit. Maar goed het waren mijn zaken niet.
Jozef Bloks - Juli 2001
(Herschreven/gecorrigeerd November 2009)
Uit het boek
"De Hoedensalon 1" 2001
|