|
Als kunstenaar maak je in je leven nogal wat
mee! Klik op een titel
voor een verhaal.
De Laatste der
Mohikanen
Een limousine stopt voor de
Hoedensalon. De chauffeur komt een hoed ophalen voor zijn
mevrouw. 'Mevrouw druk, druk, druk, u begrijpt dat wel wel, zegt
hij. Madammen met veel euro's moeten naar veel feestjes, elk
feestje weer een ander kleedje, nieuwe schoentjes en een andere
hoed. Dus druk, druk, druk!' Caroline zegt dat ze het begrijpt.
Ze klimt op een trapje en haalt een grote roze hoedendoos,
gedecoreerd met allemaal blije paardrijdende dames met hoedjes
op hun hoofd, van een plank.
'Alsjeblief,' en ze overhandigt de chauffeur de doos.
'Wat een mooie doos!' zegt de chauffeur.
'Ja, ja,' mompelt Caroline. 'En wie zijn dat op die oude foto's daar aan de muur?’ (‘wat een
nieuwsgierige chauffeur is dat toch,’ denkt Caroline.)
‘Oh, dat zijn mijn over, over, over, overgrootouders. Kijk die
dame op de linkse foto is Catharina Wilhelmina Josephina Montens van
Zuydewijn en die mijnheer op de rechtse foto is Adam Johannes Frans de Roy van Binckhorst
en die twee zijn héél lang geleden met elkaar getrouwd en
zodoende heet ik nu Caroline de Roy van Zuydewijn, begrijp je?' ‘Prachtig, zegt de chauffeur, dat moet ik aan mijn mevrouw
vertellen. Vindt ze vast reuze interessant.’ Hij geeft Caroline
een cheque met veel euro's en gaat fluitend de deur uit.
Even later komt er een héél klein vrouwtje, gekleed in
sporttenue en op snelle gympies de Hoedensalon binnen. Ze zoekt
een hoed want ze heeft vanavond een feestje. Het vrouwtje heeft
haast en rent wat in het rond. Al snel vindt ze een geschikte
avondhoed. Goede kleur (rood) en goede maat, perfect!
‘Dat is dan tig euro,’ zegt Caroline.
Het vrouwtje rommelt wat in haar handtasje en… ze heeft
blijkbaar niet genoeg euro's bij. ‘Geen tijd om euro's uit de
muur te trekken,’ zegt ze zuchtend. Ik woon hier vlakbij dus als
u (ze kijkt dus mij aan) even mee wilt lopen dan ontvangt u de
ontbrekende euro’s direct.’ Nou ik wandel graag en zeker met
zo'n leuk klein vrouwtje dus... nog maar net de deur uit, zet
dat kleine vrouwtje er flink de pas in, ze heeft echt haast! Ik
ren achter haar aan (stom, ik had het kunnen weten, zo'n klein
vrouwtje in sporttenue en… op snelle gympies, dom, dom, dom) en
voordat ik het besef zijn we al aan de andere kant van
Antwerpen. Ze woont blijkbaar in een piepklein huisje (‘ze heet
vast Margootje,’ denk ik hijgend bij mijzelf). Ze opent de
voordeur en wij klimmen een lange trap op, naar boven. Haar
huisje staat vol met opgezette vogels en dieren, grote enge
spinnen; prehistorisch ogende salamanders; een hongerige gier;
een kleine soort struisvogel; schilpadden; een vogelbekdier; een
tijger enz. Een grote bruine beer kijkt
mij gevaarlijk aan. ‘Hij doet niks hoor,’ zegt ze lachend en
haastig zoekt ze in trommels en doosjes. Aha, daar is de trommel
met de euro's. Ze grabbelt er wat in en overhandigt mij de
ontbrekende euro's. ‘Thank you,’ hijg ik zacht. Overal hangen
ook grote kromme zwaarden, jachtgeweren en pijl en bogen. ‘Haar
man is zeker de laatste der Mohikanen,’ denk ik nog steeds
hijgend bij mijzelf. In een achterkamertje rommelt het kleine
vrouwtje nu wat in kasten en zo en even later verschijnt ze, op
mooie rode schoentjes met enorme hakken, in een prachtige,
donkerrode cocktailjurk met veel glitter en glamour en..., met
de mooi rode avondhoed op haar hoofd, ten tonelen.
‘Wat vind je er van?' vraagt ze.
‘Geweldig,’ antwoord ik. Ze is zeker twintig centimeter
gegroeid.
'Zo, en nu moet ik snel naar het Zoölogenbal.’
‘Het wat?’ vraag ik verbaasd.
‘Mijn man is directeur van de dierentuin en vanavond is er groot
feest.’
‘Oh?
‘Kom…’ en snel roetsjt ze de trap af, mij meetrekkend en
‘doei...,’ weg is zij en ik sta alleen op straat. Om wat op adem
te komen slenter ik heel rustig door voor mij nog onbekende
straten van Antwerpen en ik ontdek weer prachtige nieuwe plekjes
waar ik nog nooit ben geweest.
Jozef Bloks - Juli 2001
(Herschreven November 2009)
|