|
Als kunstenaar maak je in je leven nogal wat
mee! Klik op een titel
voor een verhaal.
Het Cadeau
Over een paar
dagen zou Caroline
weer jarig zijn dus moest ik voor
haar een cadeautje gaan kopen. Maar wat moet je nou kopen voor
iemand, die alles al heeft (ze heeft mij toch!). Een parfummetje,
een bosje bloemen, een boek of een cd? Moeilijke zaak!
Het was mooi weer, dus wandelde ik over de Meir, ik slenterde
over de Wapper, de Schuttershofstraat, de Huidevettersstraat, ik
liep richting Wilde Zee en weer terug door de Schuttershofstraat
(waar ik nog even naar Skinny, het leuke meiske van de
lingeriewinkel zwaaide) en daarna ging ik weer terug naar de
Wapper en kwam vervolgens weer op de Meir terecht. Winkel in...
winkel uit. ‘Cadeautjes kopen is een vermoeiende zaak,’ mopperde
ik in mijzelf. Ik vond nergens iets leuks. Nergens zag ik iets
origineels. Met lege handen begaf ik mij tenslotte weer richting
de Hoedensalon. Toen ik de Groenplaats naderde dacht ik: kom ik
ga nog even in het winkelcentrum “de Grand Bazaar” kijken, wie
weet vind ik daar wel wat (een soort laatste hoop dus). In een
glazen hok zag ik een leuke, vlotte dame heftig op en neer
bewegen. Ze verveelde zich blijkbaar en deed, ondersteund door
een leuk muziekje, wat aerobic achter de toonbank. Opeens schoot
er wat verkeerd in haar rug en pijnlijk keek ze mij aan. Ik
stapte op haar toe, masseerde vakkundig haar zere rugje en
gelukkig knapte ze weer snel op. Zij bedankte mij met drie
zoenen en vroeg vervolgens: ‘wat kan ik voor u doen?'
Nou, ik vertelde haar mijn cadeautjes probleem en drie
bladzijden verder kwam ik to the point. ‘Kijk gerust maar eens
rond, misschien vindt u hier wel een geschikt cadeautje,’ zei ze
vriendelijk.
De winkel stond vol met
sprookjesfiguren, trollen; heksen; feeën; kabouters en nog veel
meer van die rommel uit sprookjesland.
De
verkoopster was een knappe dame met een smalle taille en flinke
borsten. Ik
dacht: ‘die had in plaats van verkoopster misschien beter
filmster kunnen worden.'
‘Houd je van films?’ Vroeg ik. ‘Of geloof je nog in sprookjes?’
Ze vertelde dat ze als kind een heel bang meiske was en dat, dat
eigenlijk allemaal de schuld van een oom van haar was. Dat was
zo’n oude, vieze man die altijd wilde dat ze bij hem op schoot
kwam zitten en spelletjes met haar wilde doen waar zij helemaal
geen zin in had. Hij vertelde ook altijd hele enge verhalen en
hij stonk ook verschrikkelijk, alsof hij zich nog nooit had
gewassen. 's Avonds als ze dan in haar bedje lag, en het licht
moest uit van mamma, dan was ze altijd heel erg bang. Zo bang
dat ze niet kon slapen van de bangigheid. De maan wierp enge
schaduwen in haar kamertje en de gordijnen ritselden dan
geheimzinnig op en neer. Ergens oeroeboerde er een verkouden
nachtuil en katten jankten en krijsten op het dak. Ze hoorde ook
altijd stemmetjes onder haar bed. Soms hoorde ze een stemmetje
dat zei: ‘als ik je heb... eet ik je op... als ik je heb... eet
ik je op.’ Van angst kroop ze dan met haar hoofdje diep onder
haar kussen. Als ze na een tijdje weer wat tot rust was gekomen,
haalde ze voorzichtig het kussen van haar hoofd. Even was het
dan stil, maar dat duurde meestal niet lang want vaak, nog geen
vijf minuten later, begon het weer: ‘als ik je heb... eet ik je
op... als ik je heb... eet ik je op.’ Ze wist wel wat of wie het
was want op een nacht was ze dapper opgestaan, ze had het licht
aangedaan en onder haar bedje gekeken. Ze zag daar een heel
klein, oud en vies kaboutermannetje die in zijn neus zat te
peuteren en hij zei steeds maar: ‘als ik je heb... eet ik je op…
als ik je heb... eet ik je op.’ Zo zat er ook een heel klein,
oud en vies kaboutervrouwtje op een héél klein, oud en vies en
stinkend piespotje, met een rood opgezwollen hoofdje, te poepen
en die zei telkens keer op keer: ‘daar komt ie weer... daar komt
ie weer.’ Het stierf daar onder haar bed van de kabouters,
trollen, heksen, elfjes en nog veel meer van dat griezelige
spul. In het begin dacht ze nog dat het een enge droom was maar
toen op zekere nacht een van die enge trollen in haar vinger had
gebeten, wist ze dat het allemaal echt was.
Ze
groeide desondanks toch op tot een mooi, jong meiske met een
smalle taille en flinke borsten. Jij moet filmster worden hadden
haar vader en moeder gezegd maar haar hoofd was zo vertroebeld,
zo behekst. Nee, ze wilde absoluut geen filmster worden. Ze had
eerst nog in een boekenwinkel gewerkt maar ze raakte daar zo in
de Ban van de Ring dat de eigenaar van die winkel haar
uiteindelijk maar op straat had geschopt. Ze raakte aan lager
wal en al snel verkocht ze haar mooie lijf aan elke willekeurige
voorbijganger. Het werd van kwaad tot erger. Op een dag
slenterde ze hongerig, ziek en vermoeid van het slechte leven,
doelloos door Antwerpen, ze was ten einde raad. Ze zakte ineen
voor de deur van deze winkel, vol met sprookjesfiguren. De
eigenaar zag een meiske liggen... zo maar voor zijn deur. Een
mooi meiske met een smalle taille en flinke borsten. Hij stopte
haar in bad en gaf haar te eten. ‘Zo en nu naar bed, zei hij,
rust jij maar eens lekker uit.’
De
vlotte dame was heel aardig en hielp mij ijverig met cadeautjes
uitzoeken. Ik koos uiteindelijk een verschrikkelijk, lelijk, pluizig aapje en
een nog verschrikkelijker struisvogeltje en nam er ook nog een
dooie poes bij. Een scheepskat heet zo iets. ‘Zo, dit waren nog
eens leuke en… originele cadeautjes!’ Dacht ik bij mijzelf. De
dame pakte ze een voor een in een mooi papiertje en deed er ook
nog een fleurige strik omheen. Ik bedankte haar met drie zoenen
en goed gemutst begaf ik mij hop... hop... hop... weer richting
de Hoedensalon.
Jozef Bloks -
Uit het boek Hoedensalon 1 - 2001
(Herschreven November 2009)
|